Onderzoek toont kansen aan voor met oncoloog afgestemde huisartsenzorg

18 juli 2012 – Huisartsen hebben het idee dat patiënten met kanker na de diagnose ‘uit hun zicht verdwijnen’. Dat blijkt niet zo te zijn. Patiënten met kanker komen veel vaker bij de huisarts dan vergelijkbare controlepatiënten. Dat blijkt uit onderzoek in de 92 LINH-praktijken, dat is gepubliceerd in het NTvG. Huisartsen hebben dus veel gelegenheid tot contact met patiënten met kanker. Dat biedt huisartsen en oncologen mogelijkheden om de zorg voor patiënten met kanker beter met elkaar af te stemmen.
 

Patiënt met kanker vaak naar de huisarts

In het LINH-registratienetwerk (Landelijk InformatieNetwerk Huisartsenzorg) worden gegevens van 350.000 patiënten vastgelegd. Van de praktijken binnen het LINH-netwerk is bekend dat zij representatief voor Nederland zijn naar praktijkvorm, apotheekhoudendheid en geografische spreiding. De onderzoekers selecteerden 8703 patiënten met de diagnose ‘kanker’ in de fase tussen zes maanden na de diagnose en drie maanden voor eventueel overlijden. Van alle patiënten werden de comorbiditeit en de contacten met de huisartsenpraktijk vastgelegd.

In één jaar tijd hebben patiënten met kanker gemiddeld 19,5 contacten met de praktijk; ze zien de huisarts zelf 3,5 keer. Bij controlepatiënten is dat respectievelijk 12 en 3,7 keer. Verschillen zijn vooral zichtbaar in de oudere leeftijdsgroepen, waarbij comorbide aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, psychische klachten en luchtwegaandoeningen, vaker voorkomen. Patiënten met kanker en een chronische aandoening hebben 24 keer per jaar een of andere vorm van contact met de huisarts, patiënten zonder kanker en zonder chronische aandoening maar 7 keer.

Meer informatie

Ontvang ook onze nieuwsbrief
Praat mee