Nieuw add-on-systeem voor geneesmiddelen per 2015

25 oktober 2013

25 oktober 2013

Op 1 januari 2015 treedt een nieuw systeem van add-on voor geneesmiddelen in werking. Minister Schippers heeft het NZa advies “Bekostiging geneesmiddelen in de medisch specialistische zorg” (23 juli 2013) overgenomen. De nieuwe systematiek moet oplossing bieden voor de knelpunten van het huidige beleid, waaronder "de toegankelijkheid (risico op onderbehandeling), macrobetaalbaarheid (prijsopdrijvend effect door de € 10.000 drempel) en transparantie."

Grootste veranderingen

De belangrijkste kenmerken van het nieuwe add-on-beleid zijn:

  • Tweezijdig verzoek: Minstens één zorgaanbieder en minstens één zorgverzekeraar moeten samen een add-on aanvraag indienen bij de NZa. Nu kan het nog een éénzijdig verzoek van zorgaanbieders of zorgverzekeraars zijn. De NZa betrekt vervolgens in haar besluitvorming over een add-on aanvraag een advies van vertegenwoordigers van zorgaanbieders (NVZ, NFU en ZKN) en zorgverzekeraars (ZN).
     
  • Add-on per geneesmiddel: In plaats van het niveau van stofnaam-toedieningsvorm-indicatie wordt de add-on op een lager niveau vastgesteld en gelijkgesteld aan het niveau van het registratienummer van een geneesmiddel zoals het op de markt wordt gebracht (ZI-nummerniveau). Er wordt in de prestatie geen onderscheid meer gemaakt naar indicaties, dus één add-on per geneesmiddel.
     
  • De NZa stelt een maximumtarief vast per add-on door te verwijzen naar een prijslijst met functionele kenmerken die voldoet aan door de NZa vastgestelde eisen.
     
  • Het wordt verplicht een toegediend geneesmiddel dat op de add-on lijst staat als add-on te declareren. Op dit moment kan een duur geneesmiddel met een add-on ook bekostigd worden via het tarief van een DBC-zorgproduct.
     
  • Nieuw is het mogelijk verzoek tot het schrappen van een add-on declaratietitel. Dit kan worden ingediend door minstens één zorgaanbieder en minstens één zorgverzekeraar.
     

Informatievoorziening toepassing add-ons

De minister stelt als extra voorwaarde voor invoering van het nieuwe systeem dat het duidelijk moet zijn, voor aanbieders, zorgverzekeraars en voor VWS, voor welke indicatie een add-on wordt gedeclareerd. “Deze informatie is van belang voor het inkoopbeleid en controle op rechtmatigheid van de declaratie door zorgverzekeraars en kan daarnaast door mij gebruikt worden bij bijvoorbeeld pakketbeslissingen. Ik zal in overleg met betrokken partijen bespreken op welke manier deze informatievoorziening het beste vormgegeven kan worden,” stelt Schippers.

Aanspraak op geneesmiddel blijft gelijk

“Het bekostigingssysteem van intramurale geneesmiddelen staat los van de vraag of een patiënt aanspraak heeft op een geneesmiddel via het basispakket. In de praktijk blijkt dit echter elkaar te beïnvloeden. Zo lijkt een zorgaanbieder vanuit financiële overweging minder geneigd een geneesmiddel voor te schrijven als het bekostigd moet worden via een DBC-zorgproduct. Vanuit de macrobetaalbaarheid kan dit gunstig zijn, maar als de patiënt medisch noodzakelijke zorg wordt onthouden is de toegankelijkheid in het geding," aldus de NZa in het adviesrapport

"Een belangrijke, zo niet de belangrijkste, oplossing hiervoor is duidelijke communicatie tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar over welke zorg (geneesmiddelen) zijn ingekocht. Daarnaast is het van belang dat de NZa let op de toegankelijkheid door middel van monitoring. Als de toegankelijkheid in het geding komt, dient de vraag te worden beantwoord in welke mate zorgaanbieder en/of zorgverzekeraar hiervoor verantwoordelijk zijn. Samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is hiervoor noodzakelijk."

Meer informatie

Ontvang ook onze nieuwsbrief
Praat mee