Mathijssen hoogleraar Geïndividualiseerde Oncologische Farmacotherapie

16 september 2013

16 september 2013

Mensen die behandeld worden voor kanker, kunnen beter niet roken, grapefruit eten, of antidepressiva slikken. Artsen besteden daar vaak nog te weinig aandacht aan, aldus het katern Wetenschap en Gezondheid in de Volkskrant van 11 september 2013. Aanleiding is de oratie van Ron Mathijssen, benoemd tot hoogleraar Geïndividualiseerde Oncologische Farmacotherapie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Leef- en eet gewoontes

Twee borstkankerpatiënten met een vergelijkbaar type tumor krijgen hetzelfde medicijn in een identieke dosis. Bij de een slaat de behandeling veel beter aan dan bij de ander. Dat is geen kwestie van geluk, maar kan het gevolg zijn dat een van de patiënten rookt, een antidepressivum slikt, of denkt er goed aan te doen om een kruidenmiddel te gebruiken. Het kan ook zijn dat de een de medicijnen ’s morgens neemt en de ander ’s avonds. Het is zelfs mogelijk dat het grote verschil te maken heeft met de grapefruit die een van beiden elke ochtend eet.

Persoonlijke kenmerken bepalen succes behandeling

Persoonlijke kenmerken van patiënten bepalen in hoge mate het succes van een kankerbehandeling en artsen moeten daar veel meer rekening mee houden. Dat is de boodschap van de oratie van internist-oncoloog Ron Mathijssen, tijdens zijn benoeming tot hoogleraar geïndividualiseerde oncologische farmacotherapieaan het Rotterdamse Erasmus MC.

Persoonlijke kankerbehandeling heeft de toekomst. Maar minstens zo belangrijk is wat het lichaam van de patiënt met die medicatie doet, beseft Mathijssen na onderzoek bij patiënten en een literatuurstudie. "Houd je daar geen rekening mee, dan kan een geneesmiddel dat op papier perfect is, zijn doel voorbij schieten."

Gedrag patiënten belangrijke succesfactor

Bij de behandeling van kanker met medicijnen luistert de juiste concentratie in het bloed erg nauw. Kom je onder de benedengrens, dan werkt het geneesmiddel niet, bij het passeren van de bovengrens ontstaan ernstige bijwerkingen. Het is vooral de lever die voor die begrenzing van belang is. De lever zet talloze stoffen om, maar kan door toedoen van de patiënt zelf gaan haperen of juist op hol slaan. Als dat kan worden voorkomen, kan dáár de komende jaren veel winst in de kankerbestrijding worden behaald, voorspelt Mathijssen.

Meer informatie

Ontvang ook onze nieuwsbrief
Praat mee