Evaluatieonderzoek Wet BIG

7 december 2015 – Op 11 november informeerde minister Schippers de Kamer per brief over het eindrapport Voor BIGhouden over het onderzoek naar de inzet van de Physician Assistant (PA) en de Verpleegkundig Specialist (VS), uitgevoerd door een onderzoeksteam van Maastricht Universitair Medisch Centrum.

Het onderzoek wijst uit dat de uitvoering van het experiment op basis van artikel 36a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) voor een deel van de VS’en en de PA’s een legalisering is van hun dagelijkse werk. Voor anderen biedt het perspectief om hun functie verder te ontwikkelen.

De mogelijkheden die dit experiment heeft geschapen om katheterisaties, heelkundige handelingen, injecties en puncties uit te voeren en te delegeren en UR-geneesmiddelen voor te schrijven zijn door de VS en de PA in hoge mate benut. De onderzoekers komen tot de conclusie dat het toekennen van een wettelijke zelfstandige bevoegdheid aan VS en PA voor het uitvoeren van bepaalde voorbehouden handelingen bijdraagt aan het efficiënter inrichten van zorgprocessen en de juiste inzet van professionals.

Tijdelijk experiment

Uit het onderzoek blijkt dat meer VSen en PAs voorbehouden handelingen zijn gaan uitvoeren en dat de frequentie waarmee ze dit doen is ook voor de meeste voorbehouden handelingen toegenomen. De frequentie is het hoogst voor het voorschrijven van geneesmiddelen en injecties en het laagst voor puncties. Ook de zelfstandigheid bij het indiceren van de voorbehouden handelingen is na de wetswijziging toegenomen.

Voorschrijven geneesmiddelen

Het voorschrijven van medicatie op eigen indicatie beperkt zich niet tot herhaalrecepten of recepten waarbij de dosering wordt aangepast. In vergelijking met deze twee type recepten wordt het voorschrijven van nieuwe recepten zelfs meer op eigen indicatie zonder overleg met een arts verricht. Wel worden recepten, indien op eigen indicatie UR-geneesmiddelen worden voorgeschreven, in één vijfde van de gevallen achteraf inhoudelijk getoetst door een arts.

Voor bepaalde groepen geneesmiddelen is de zelfstandige bevoegdheid minder ver doorgevoerd, zoals voor geneesmiddelen

  • die aangrijpen op het bloed en bloedvormende organen
  • die aangrijpen op het hartvaatstelsel (met name antithrombotica en middelen bij anemie)
  • oncolytica en immunomodulantia
  • immunosuppressiva.

Deze geneesmiddelen worden minder vaak op eigen indicatie voorgeschreven of is hierbij vaker overleg nodig na indicatiestelling door de VS/PA. Op de vraag voor welke voorbehouden handelingen de zelfstandige bevoegdheid voor VSen/PAs niet verantwoord is, worden door een gedeelte van de VSen en PAs, alsook door artsen geneesmiddelen genoemd die aangrijpen op het zenuwstelsel, zoals psycholeptica en psychoanaleptica. VSen en PAs noemen daarnaast ook oncolytica en immunomodulantia.

Als geneesmiddelen waarvoor een zelfstandige voorschrijfbevoegdheid kan, maar waarover altijd overlegd moet worden, worden door een ander gedeelte van de VSen, PAs en artsen bovengenoemde geneesmiddelen genoemd. Dit is ook het geval bij geneesmiddelen die aangrijpen op het hartvaatstelsel, zoals antihypertensiva, cardiaca en diuretica, alsook bij antimicrobiële middelen voor systemisch gebruik (antibiotica).

Contactmomenten geneesmiddelen

Het aantal contactmomenten per maand tussen artsen en VSen/PAs over voorbehouden handelingen is na de wetswijziging ongeveer gehalveerd. Deze daling van het aantal contactmomenten per maand is te zien bij bijna alle voorbehouden handelingen. Tijdens de laatste nameting hebben de meeste contactmomenten betrekking op het voorschrijven van geneesmiddelen, het minst op puncties.

Meer informatie

Ontvang ook onze nieuwsbrief
Praat mee